“Liempde” door Wiro Heesters                                                     tekening: W. van Eijndhoven

Het gemeentehuis van Liempde.

Rond 1880 sloeg de zogenaamde Hezikse Rot toe, een soort boomkanker; aangetaste bomen waren alleen nog maar te gebruiken als timmer- en brandhout. Alle zieke bomen moesten worden  omgekapt en door nieuwe aanplant van een betere soort worden vervangen. Er ontstond een groot gebrek aan klompbomen en de prijzen stegen.    
In 1888 kreeg  het dorp na veel gekonkel zijn eerste klinkerweg met een lengte 5160 meter van Boxtel over de Bossche Baan langs de kerk en weer terug naar de Bossche Baan ter hoogte van de Liempse Barrier. Dat jaar werd door de Zusters van Liefde uit Tilburg de bijzondere meisjesschool geopend. In 1894 kreeg de parochiekerk "St. Jans Onthoofding" eindelijk zijn toren, 26 jaar na de plechtige inzegening.
Vlak na 1900 deed de mechanisatie ook bij de klompenindustrie zijn intrede en dat betekende meestal de genadeklap voor de ouderwetse handwerker in de streek. Ook Antonius van de Laar, begonnen aan de Vendelstraat in Liempde, kon voor zijn fabriekje in Oirschot met 12 man personeel zijn faillisement aanvragen; hij verhuisde naar Nuenen en werd voerman. Zo verging het velen. De invoer van klompen uit België was de nieuwe klap voor de laatste ambachtslieden in de klompenstreek en er trad een daling op in deze industrietak. Nu heeft Liempde nog drie  klompenmakerijen.


“Liempde” door Wiro Heester                                                                  tekening: W. van Eijnhoven

De dorpsput, ook wel Kapellerput genoemd
op het pleintje van het Kerkeind bij de schuurkerk.
 

 

 

 

DE HEERLIJKHEID LIEMPDE. 

Wie de oude naam Leymde hoort ziet op de dorpsstraat de leemklonters liggen, die door de vele boerenkarren werden achtergelaten. Dat is geen toeval, want het dorpje kreeg zijn naam van de leemgrond in het stroomgebied van het riviertje de Dommel.
Alhoewel in de nabije omgeving neolithische vuistbijlen werden gevonden, is er weinig over de oude geschiedenis te vertellen. Pas in het begin van de 14e eeuw werd de naam Liempde voor het eerst genoemd als een groep verspreid liggende buurtschappen zonder eigenlijke kern en als hertogsdorp bestuurlijk horende bij St. Oedenrode. De watermolen in de Dommel (een kleine runmolen) was al voor 1312 deels in leen gegeven aan de Heer van Boxtel.
In 1391 werd Liempde door Johanna, hertogin van Brabant en Limburg, als heerlijkheid uitgegeven aan ridder Willem van Meerhem, heer van Boxtel "ende dat sijnen leefdage ende niet langer". Na zijn dood in 1420 werd de heerlijkheid opnieuw uitgegeven, nu aan ridder Willem, de nieuwe heer van Boxtel, wegens bewezen diensten aan Jan IV, hertog van Brabant en Limburg. Het dorp bleef als vrije rijksheerlijkheid tot ver in de zeventiende eeuw in het bezit van de Heren van Boxtel.
Een heerlijkheid is een gebied van een heer, vaak ontstaan door verkoop of verpanding om geld voor oorlogsvoering te verkrijgen of voor andere bewezen diensten. Een vrije rijksheerlijkheid hoefde zich niet te onderwerpen aan een machtiger heer en kende ook het muntrecht. Daarnaast kon men bij rechtszaken in beroep gaan bij het rijksgerecht. Deze bestuursvorm werd pas in 1801 opgeheven tijdens de Franse bezetting door keizer Napoleon.
Een "heerdtelling" in 1438 geeft ons bij benadering het aantal inwoners in die tijd: de heerlijkheid. Liempde telde toen 135 heerdsteden, waaronder 50 van de armen; dit komt neer op 600 à 700 inwoners. Het vrij grote aantal armen was normaal.


 “Liempde” door Wiro Heesters                                                           tekening: W. van Eijndhoven

De St. Janskapel vanuit het noorden gezien.


In 1440 werd voor het eerst melding gemaakt van een kerkje. De St. Janskapel zou pas in 1603 parochiekerk worden; de kapittelheren van Boxtel zagen hun inkomsten (novale tienden) bedreigd. Boxtel was een echter een uur gaans en dat betekende voor inwoners van Liempde, dat zij het in tijden van gevaar zonder H. Mis, Sacramenten en onderricht moesten stellen. De eerste pastoor van het dorp werd Gerard Dobbeleijns. Hij was kanunnik van het kapittel van St. Oedenrode.
In die tijd kwam er naast de landbouw en de veeteelt een nieuw ambacht op: klompenmaker. Het hout hiervoor kwam van de vele eiken en populieren op de vruchtbare oevers van de Dommel. Rijk werden de klompenmakers echter niet; de prijs per paar bedroeg in de zeventiende eeuw ongeveer  4 à 5 stuivers en aan het einde van negentiende eeuw 5 stuivers en 8 duiten (27 cent). De belangrijkste afzetgebieden waren Noord en Zuid Holland.
In 1787 kreeg Liempde een gemeentehuis, alhoewel de juiste plaats nogal wat problemen met zich mee bracht. Uiteindelijk werd gekozen voor een plaats tussen de buurtschappen in.
Een orkaan op 9 november 1800 verwoestte de helft van de bomen en nog geen jaar later werd er opnieuw door een zware storm grote schade aangebracht. Nu werden de canadassen (Canadese populieren) het meest gebruikt door de klompenmakers. De gouden tijd van de klompenmakerij in Liempde was van 1850 tot 1920; rond 1867 bedroeg de totale export van klompen 150.000 paar per jaar. Het dorp telde toen 1350 inwoners op een totale oppervlakte van 1920 bunders (hectare).

 


Ga terug naar DE KRONIEK
Kies dan een andere bladzijde

 
  II
  III
  IV
  V
  VI
  VII
  VIII
  IX
  X
  XI
  XII
  XIII
  XIV

  XV
  XVI
X
  XVII
  XVIII
 

HANDLEIDING
DE KRONIEK
GENERATIE I II III
GENERATIE IV
GENERATIE V
GENERATIE VI
GENERATIE VII
GENERATIE VIII
GENERATIE IX
GENERATIE X
GENERATIE XI
GENERATIE XII
DE VERHALEN
VERHALEN
          ST.OEDENRODE
VERHALEN LIEMPDE
DIVERSEN
(INHOUD, NAAM REGISTERS)

FAMILIE IN BEDRIJF
GASTENBOEK (E-MAIL)