BRABANTSE MUTSEN UIT GROOTMOEDERSTIJD
In het begin van de twintigste eeuw was de
Brabantse muts en ook de klederdracht in het algemeen een
dracht, die leefde onder de vrouwen van Brabant, daarbij was
ze vrij van elke inmenging van buiten de streek.
Wel leefde
er een bepaalde “mode” en was de mutsenmaakster een
kunstzinnige vrouw, die haar eigen fantasie de vrije loop
liet, zij het binnen het raam van een bepaald patroon.
Deze mode was een weerspiegeling van de welstand, waarin de
draagster verkeerde en deze was een groot deel afhankelijk
van de bodemrijkdom. Uiteraard zaten er verschillen in de
drie belangrijkste streken van Brabant: de Langstraat, de
Baronie van Breda en de Meierij van Den
Bosch. In de Meierij
droegen de vrouwen gewonlijk een muts van Brusselse kant,
van Brabantse kant, van Maaslandse kant of van valse kant.
Over de muts werd dan de poffer gedragen en daarnaast kende
men nog een het keveltje of morgenmutsje.
Tijden de schooljaren droegen de meisjes een zwarte muts van
kraaltjes,
veertjes en tule. De muts met poffer werd voor
het eerst gedragen bij de Eerste Heilige Communie –zo rond
het 13e levensjaar- en verdween daarna in de kast
tot het meisje 17 of 18 jaar was geworden. Dan werd het
meisje geacht vrouw te zijn en kwam het geheel weer te
voorschijn.
De bodem van de muts –die het hoofd”geheel omvatte- was
altijd van “gestopte tule” en daaraan zat een grote kraag
van gewone tule of van gaas met hieraan een rand van kant.
Deze kant nu bepaalde de welstand van de draagster: gestopte
tule of valse kant was voor de armsten en Brusselse kant of
Brabantse kant was voor de rijken. De echte kant –geklost
van zuivere glasvezel- was zeer fijn gespannen, oersterk en
ging zo een mensenleven lang mee. Zo’n 20 jaar later kwam de
valse Brusselse kant op de markt, veel goedkoper dan de
echte en bijna niet hiervan te onderscheiden. De voorkant
van de muts bestond uit een geplooid stukje van kant en
gaas; na het stijven en strijken van het te plooien
materiaal werden de pl
ooien er met de hand in gezet.
Over de muts droeg men dan de poffer, deze werd aan de
voorkant meestal vastgespeld en altijd door een elastiek in
de hals vastgehouden. De poffer had aan de achterzijde vier
linten (de laveniers), die afhingen over de rug aan
schouders. Breedte en kwaliteit waren uiteraard weer
afhankelijk van de beurs van de draagster en hiervan hing
ook weer de grootte af van de poffer. Soms was de poffer zo
groot dat het gebied een last werd voor de draagster.
Bij verhuizing naar een ander dorp bleef men de
mutsenmaakster en ook het wassen van de muts en de poffer
gebeurde vaak nog in het geboortedorp.